woensdag 16 november 2016

Journaal van een reijs door Gelder- en Kleefsland

De vesting Schenkenschans,
van de overzijde van de Rijn bezien.
Nijmegen is een populaire toeristische bestemming: riviercruises doen de stad aan vanaf de Waalkade en zeker in de zomer mag de stad zich verheugen op de komst van vele duizenden bezoekers. Ook in de 18e eeuw werd de stad en streek bezocht door reizigers, getuige de reisverslagen die bewaard zijn gebleven.    

Tussen 14 juli en 8 augustus 1773 reisden de Dordtse notariszoon en advocaat Martinus van Nieveld (1710-1794) (ook: Nievelt) en zijn vrouw Sara  Bije met zes van hun kinderen door Gelderland, een zeer gewilde trip. Een van de kinderen, Albertus (1746-1824), ook advocaat en tevens baljuw van Koudekerk, legde de reis vast in een verslag: ‘Journaal van een reijs door Gelder- en Kleefsland, gedaan door mr Martinus van Nievelt, zijne huisvrouwe en zes oudste kinderen […]’. Dit verslag staat niet in de lijst reisverslagen van Lindeman, Scherf en Dekker, wel een eerdere reis van Albertus in 1770 naar Vlaanderen (zie nr 251, daar als Van Nietveld gespeld).

De beschrijving is tamelijk obligaat op enkele aardige passages na. Op 1 augustus kwamen zij te Nijmegen aan: ‘Om 11 uuren gingen wij naar de Parade in ’t Kalverbosch [Kelfkensbos], die afgelopen zijnde, dronken wij een kop chocolaat bij den Hr. van Gend, dien wij te Kleef gerencontreerd hadden, en ons zeer veel politessen deed’. Weinig mensen, veel gebouwen en soms een mooie uitschieter: ‘… en kwamen eijndelijk aan een veirtje over Schenkenschans, daar wij met een roeijschuitje over een arm van den ouden Rijn gezet wierden; moesten toen nog een glibberige smalle kade overgaan tot dat wij in de Schans kwamen; dit is een vesting, die vrij vervallen is, zijnde maar eene straat, of liever slikweg, daar bedroefde huizen staan; met een woord het slegtste plaatsje, dat ik ooit gezien heb’.

Tijdens de inventarisatie van de archieven van de De Gelderse Bloem (een Gelderse stichting die dissertaties en andere publicaties uitgaf en bemiddelde bij subsidieaanvragen) stuitte ik op twee typoscripten van reisverslagen. Dit is de eerste van de twee, een verslag van de reis in 1773 met correcties, dat mogelijk als bijlage diende voor een subsidieverzoek.

Ik vermoed dat het typoscript uit begin jaren zeventig van de vorige eeuw stamt. Er zit verder geen naam van een bewerker bij, geen correspondentie, geen aantekening, niets. Voor zover mij bekend is het ook niet gepubliceerd. Toch hoop ik die bewerker alsnog te vinden, temeer daar het manuscript – blijkens een globaal onderzoekje – niet aanwezig is, althans op de voor de hand liggende plaatsen.

Het manuscript van het reisverslag uit 1770 bevindt zich in de UBL, maar dat van de reis uit 1773 berust daar niet. Het is ook niet in het Gelders Archief en niet in het Regionaal Archief Nijmegen te vinden. Navraag bij het Regionaal Archief Dordrecht leerde dat het manuscript daar evenmin bekend is (met dank aan Sander van Bladel)

Wordt hopelijk vervolgd..

Pieter van Wissing

Geen opmerkingen: