woensdag 17 augustus 2011

Het grote kerkhof op de Hundisberg

Medewerkers van Bureau Archeologie en Monumenten van de gemeente Nijmegen wordt geregeld gevraagd of archeologische maatregelen eigenlijk wel nodig zijn voor zo’n beetje alle voorkomende grondwerkzaamheden in het kader van stedelijke (her)ontwikkelingen (de aanleg van bouwputten, rioolvernieuwing, straatinrichting et cetera). Het antwoord hierop is een volmondig: ‘ja!’ De Nijmeegse bodem herbergt immers een schat aan historische en archeologische informatie. Neem de Hundisburg. Al in de Romeinse tijd vormde het, gelegen langs de weg naar Ulpia Noviomagus, een onderdeel van de grafvelden. Mogelijk heeft er zelfs een tempel of grafmonument gestaan.
Over het gebruik van de locatie de eeuwen erna is niets bekend, totdat in de tweede helft van de dertiende eeuw als opvolger van de oude parochiekerk St. Gertrudis, de St.Steven werd gebouwd en er een kerkhof werd aangelegd. Door de voortschrijdende bebouwing op de helling van de Hundisburg nam dit kerkhof in omvang echter zienderogen af, waardoor de overledenen in de circa zes eeuwen dat het kerkhof heeft bestaan, op een steeds kleiner gebied werden bijgezet. Met name in de negentiende eeuw is het kerkhof flink afgegraven. In 1834 gaan ‘honderden karren aarde en beenderen’ naar de nieuwe begraafplaats aan de Steenenkruisstraat. In 1882 wordt het ‘Hoge Kerkhof’ aan de westzijde zelfs met drie à vier meter tot het huidige niveau verlaagd.

Om zicht te krijgen op de archeologisch kwaliteit van de overgebleven begraafplaats zijn in 2008 en 2010 op een viertal plaatsen proefsleufjes aangelegd. Het resultaat was verassend. Zo blijkt het ingraven van de riolering in 1905 de resterende niveaus van het kerkhof niet wezenlijk verstoord te hebben. Aan de kant van de Stikke Hezelstraat is de begraafplaats zeker vanaf één meter onder het huidige maaiveld intact.

De sleufjes aan de westzijde, het meest intensief gebruikte deel, heeft alleen zwaar muurwerk laten zien, in alle gevallen pal onder de huidige bestrating. Gezien de baksteenformaten, kloostermoppen van 28 en 26 centimeter, behoren de funderingsresten mogelijk tot de oude kerkhofmuur. Aan de zijde van het Gewandhuis is het kerkhof grotendeels verstoord door kabelwerk (voor de kerk), terwijl in de richting van de kanunnikenhuisjes het kerkhof onder het riool weer ongeschonden lijkt te zijn. De mogelijkheid bestaat dat het oudste deel nog goeddeels intact is en dus ook eventueel onderliggende oudere sporen.

Dit alles betekent dat bodemverstorende activiteiten, zoals het aanleggen van de riolering, pas kunnen plaatsvinden nadat op wetenschappelijke en ethisch correcte wijze delen van het kerkhof zijn opgegraven. Tijdens zo’n archeologische opgraving worden zoveel mogelijk gegevens voor later onderzoek vastgelegd en veiliggesteld. Onderzoek op menselijk skeletmateriaal zal zich richten op het bepalen van geslacht, leeftijd, lengte, ziektes, verwondingen, slijtage, afwijkingen en afkomst. Daarnaast kijkt men naar het voorkomen van clusters of groepen van begravingen en naar mogelijke stratigrafie. Dit laatste kan iets vertellen over de opbouw van het kerkhof. De resultaten moeten inzicht geven in eet- en leefgewoontes, ziektes, bevolkingssamenstelling en begrafenisrituelen van de vroegere Nijmeegse bevolking.

Meestal is archeologisch onderzoek de laatste kans om informatie te verzamelen over het (tastbare) verleden van een locatie; dit onderzoek kan immers nooit opnieuw worden gedaan. Alle bodemingrepen, ook de archeologische, zijn destructief. En daarom moeten we er op doordachte wijze mee omgaan.

tekst: Kees Brok
foto's: Rob Mols

Geen opmerkingen: